Grondboor & Hamer Extra



NGV Grondboor & Hamer

De N.G.V. publiceert 5 keer per jaar het tijdschrift Grondboor & Hamer, waarvan 1 dubbelnummer. Hierin staan interessante artikelen over geologie in Nederland en daarbuiten.

  • Hoofdredacteur:
    dr. L.E.M. (Bert) de Boer
    Lopikerweg 72A, 2871 AW Schoonhoven.
    lemdeboer@hetnet.nl
  • Redactie:
    Cees Laban, Johan ten Veen, Geert-Jan Vis, Simon TroelstraEmile Gevers<
  • Redactiesecretariaat "Mededelingen":
    P. van Olm
    Bongerd 180, 8212 BK Lelystad.
    paulvanolm@hotmail.com

Wilt u zelf een artikel schrijven voor G&H? Lees dan eerst de "Richtlijnen voor Auteurs".

In de "Artikelenlijst" vindt u een uitgebreide lijst met artikelen die in het verleden zijn verschenen.

Losse exemplaren zijn, voorzover nog voorradig, bij voorkeur te bestellen via email bij: jelletalma@12move.nl, Ferdinant Bolstraat 25, 8932 JL Leeuwarden

Losse nummers voor leden € 3,50 en niet leden € 5,50 en dubbelnummers € 5,00 resp.€ 7,00
Complete jaargang voor leden € 17,50 en niet leden € 23,50

Uitgaven van Grondboor & Hamer tot en met 2005 zijn uitverkocht.
Genoemde prijzen zijn exclusief verzendkosten. Factuur wordt toegestuurd.

 

NGV Grondboor & Hamer Extra

Grondboor & Hamer Extra is bedoeld om meer achtergrondinformatie te bieden bij artikelen die gepubliceerd zijn in ons tijdschrift  Grondboor & Hamer, of uit ruimtegebrek niet geplaatst konden worden.
Het gaat hierbij om bijvoorbeeld literatuurlijsten, boekbesprekingen, foto's of weblinks. Hieronder wordt per uitgave de extra informatie gepresenteerd.

Overzicht boekbesprekingen:

De Bosatlas van ondergronds Nederland.
De geschiedenis van het leven deel 8a en 8a-bis. J.F. Geys.
Fossilien sammeln (2007) und auf Fossilliensuche (2008)an der Ostseeküste Andrea Rohde.
Het energielandschap, door Tom Bade.
Inland drift sand landscapes, door het energielandschap, doorJosef Fanta & Henk Siepel, 2010.
STARINGIA 13 "Fossiele Cephalopoden van Nederland, doorPeter de Ruiter, 2012.
Vijf wijstreservaten in Noord-Brabant, door Nico Ettema.

Overzicht literatuurlijsten bij:
Flevum Aelmere Almari Zuiderzee IJsselmeer. G & H 2009 3/4

Boekbespreking Staringia 13, Fossiele Cephalopoden van Nederland onder de titel: "Koppotigen voor de liefhebbers" door Peter de Ruiter, 2012

Nederlandse Geologische Vereniging. 229 pag. full colour, ill, 44 platen met afbeeldingen en veel foto's. ISBN/EAN: 978-90-806769-0-9 (Nederlands) Prijs EUR 20,00

Koppotigen voor de liefhebbers De Nederlandse Geologische Vereniging (NGV) heeft als nummer 1 van jaargang 66 van haar tijdschrift ‘Grondboor & Hamer’ een nieuwe Staringia (nr. 13) uitgegeven. De Staringia-serie heeft als doel bepaalde onderwerpen uit de geologie of de geschiedenis van de geologie in detail te belichten.
Misschien is nr.10, de vertaling uit het Latijn van het ‘Academisch Proefschrift over de geologie des vaderlands’ uit 1833 van W.C.H. Staring, de betovergrootvader van de Nederlandse geologen, het meest bekende nummer in deze serie.

‘Fossiele Cephalopoden van Nederland’ is de bescheiden titel van deze kleurrijke uitgave. In eerste instantie was ik verbaasd. Wat ik van koppotigen weet, heb ik geleerd op school en bij de colleges in Leiden van Prof. Boschma; wat ik niet wist, is dat er in Nederland, ook buiten de bekende groeves van Zuid-Limburg en Winterswijk, zoveel verschillende soorten cephalopoden – vaak slordig op een hoop gegooid als ‘ammonieten’ – gevonden zijn. Maar, zo blijkt al gauw, dit boek gaat niet alleen over de ‘in situ’ fossielen, maar ook over zwerfstenen die uit het noorden, oosten en zuiden, door ijsmassa’s of rivieren naar Nederland zijn vervoerd en hier tot rust zijn gekomen. De leek, zoals ik, denkt bij het woord zwerfsteen voornamelijk aan de imponerende, uit het noorden door het ijs meegenomen grote keien, bestaande uit plutonisch en metamorf gesteente, maar dat is niet de gehele waarheid. Er zijn ook veel sedimentaire, tijdens het transport afgeronde brokken en brokjes steen afkomstig van de bergstreken in Duitsland, België en Frankrijk, met daarin soms goed herkenbare en determineerbare fossielen, waaronder Cephalopoden.

Nederland is tenslotte de geologische stortplaats van West-Europa en allochtone stenen mogen ons niet verbazen. Interessant is dat alle ordes van de klasse der Cephalopoden gevonden zijn in de Nederlandse zwerfstenen en dat de geologische tijdvakken van Carboon tot jong-Tertiair door Cephalopoden vertegenwoordigd zijn.

In 1993 werd er binnen het NGV een ‘ammonietenwerkgroep’ opgericht en de leden daarvan zijn de bedenkers en schrijvers van Staringa 13, een nummer dat voor de Nederlandse ammonietenliefhebber, specialist of niet, een ‘must’ is.
Het boek bestaat uit delen van zeer ongelijke grootte. Het eerste deel (14 pp.) biedt een uitstekend geďllustreerde uiteenzetting van de anatomie van de Cephalopoden en de criteria voor het determineren van de verschillende soorten of genera. Het hoofdstuk ‘Zwerfstenen en verzamelaars’ (8 pp.) bespreekt, met behulp van heldere tekst en kaartbeeld, de oorsprong en de verspreiding der zwerfstenen in het huidige Nederlandse landschap. Veruit het dikste deel van het boek (165 pp.) is besteed aan een gedetailleerde beschrijving, vergezeld van prima foto’s, van verschillende in Nederland aangetroffen genera en soorten. Een uitgebreide literatuurlijst en een viertalige begrippenlijst besluiten dit voortreffelijke boek.

Zeer aanbevolen.

Peter de Ruiter

Boekbespreking door A.J.(Tom) van Loon: Inland drift sand landscapes, door het energielandschap, doorJosef Fanta & Henk Siepel, 2010

KNNV Uitgeverij, Zeist. Genaaid gebonden, hardcover, 484 blz. Prijs EUR 49,95 (te bestellen via www.knnvpublishing.nl). ISBN 978-90-5011-350-2.

De titel doet het niet vermoeden, maar dit boek gaat bijna uitsluitend over Nederlandse stuifzanden. Dat is op zich niet zo verwonderlijk, want in bijna alle landen waar stuifzanden voorkomen, bestaat het grondgebied grotendeels uit hard gesteente; en dat trekt nu eenmaal meer belangstelling dan een pakket dat - letterlijk - als los zand aan elkaar hangt. Nederland is wat het harde gesteente betreft niet zo bevoorrecht, en daarom is juist hier altijd veel aandacht besteed aan de onverharde pakketten die vrijwel ons hele land bedekken, en die bijna allemaal van pleistocene of holocene ouderdom zijn. De stuifzanden ontstonden tijdens de overgang van Pleistoceen naar Holoceen. Ze danken hun ontstaan grotendeels aan de sterke windactiviteit die het nog koude, vrijwel geheel onbegroeide zandpakket dat was afgezet door smeltwaterstromen opwoei en elders weer afzette, vaak in de vorm van duinen (waarvan inmiddels de oorspronkelijke vorm verloren is gegaan) en ruggen. Grote delen van het gebied voor de ijskap die zich na de laatste ijstijd terugtrok, werden omgevormd tot stuifzandgebieden. Het ging om onvruchtbare gronden, die in de loop der tijd bijna overal door de mens zijn ontgonnen, vooral ten behoeve van kleinschalige landbouw, zodat er van de ooit enorme stuifzanden in West-Europa nog maar weinig over is. Verrassenderwijs is dat juist in Nederland nog veel: bijna 1000 km2, waarbij overigens wel moet worden aangetekend dat er nauwelijks meer actieve stuifzanden zijn overgebleven. Dat is vooral te danken aan natuurlijke processen, die ertoe leiden dat eenmaal in grootte afgenomen stuifzandgebieden langzamerhand door pioniervegetatie worden overwoekerd. In Nederland leidt dat nu, in het kader van natuurbeheer, tot maatregelen die het voortbestaan van de stuifzanden moeten garanderen, en die ook tot meer actief stuiven moeten leiden. Een nieuwe maatregel om 'natuur' te beschermen die anders door de natuur zelf zou verdwijnen! Voor iedere Nederlandse (amateur)geoloog biedt dat gelukkig de kans om actieve stuifzanden te ondergaan. En daarbij moet zeker niet alleen op de 'dode' natuur worden gelet: dit boek geeft aan hoe interessant de gebieden ook zijn uit het oogpunt van biologie, archeologie, geschiedenis en sociale ontwikkeling. De kennis daarvan die dit boek in ruime mate biedt (meer dan geologie en geomorfologie!) biedt daartoe volop de gelegenheid. Niet alleen door de weliswaar (Engelstalige) wetenschappelijk verantwoorde maar niettemin veelal goed leesbare tekst, maar ook vanwege de vele prachtige kleurenfoto's. Natuurlijk is er op dit boek best het een en ander aan te merken; het gaat daarbij echter bijna alleen om wat redactionele inconsistenties, slordig taalgebruik, onvoldoend nauwkeurig gecontroleerde drukproeven, etc. Dat mag eigenlijk geen naam hebben. Het is al met al een boek dat iedereen die zich voor de nog maar schaars aanwezige Nederlandse natuur interesseert, zou moeten meenemen op een paar dagtochten naar een van de nog resterende stuifzandgebieden. Met dit boek erbij, is een interessante én plezierige speurtocht naar de kenmerken van deze toch vrij uitzonderlijke gebieden gegarandeerd.

Boekbespreking door Wim Hoogendoorn: Vijf wijstreservaten in Noord-Brabant, door Nico Ettema, 2010.

Voor hen die de smaak te pakken hebben na het lezen van Grondboor & Hamer 2009 nr 6, vol met aardkundige excursiepunten in Noord Brabant, is er goed nieuws. Er is een nieuw rijk geďllustreerd boek (64 blz.) uitgegeven door de stuurgroep De Maashorst.

Bestelling voor de lezers van Grondboor & Hamer: € 10,- (inclusief verzendkosten) overmaken op rek. nr. 483774847 tnv Nico Ettema te Uden.

Bioloog Nico Ettema beschrijft in dit boek vijf Wijstreservaten, namelijk: 1 De wijstgronden in Uden 2 Het beekdal van Slabroek 3 Donzel inBernheze 4 Het Wijstbos in Landerd 5 Geneneindse Heide Zuid in Bakel Ettema geeft eerst een korte beschrijving van de vijf gebieden, geďllustreerd met oude (1897 of 1899) en recente topografische kaarten. Daarna wordt ruimschoots ingegaan op de geologie en de hydrologie. Vervolgens wordt er vergeleken met G&H - uiteraard - meer aandacht geschonken aan de flora en de vegetatie van het gebied. De auteur sluit af met de 'Wandelroute Het Annabosje'. De route wijkt op onderdelen iets af van bekende (excursie)routes. Klantvriendelijk is dat de auteur ons op tal van punten nog eens wijst op allerlei zaken waar we anders misschien wel gedachteloos langs zouden lopen. Samenvattend kan gesteld worden dat het boek een waardevolle aanwinst is voor de educatieve recreant in Brabant. Dat de stuurgroep De Maashorst dit boek uitbrengt geeft vertrouwen dat er verder gewerkt gaat worden aan behoud en herstel van de voor vele vakgebieden zo interessante wijstgronden.

Boekbespreking door A.J.(Tom) van Loon: Het energielandschap, door Tom Bade, 2009.

KNVV Uitgeverij, Postbus310, 3700 AH Zeist. Gebonden, genaaid, 88 blz. Prijs € 34,95. ISBN 978-90-5011-332-8.

Energie is in onze samenleving, samen met drinkwater, waarschijnlijk de meest kostbare grondstof voor de rest van deze eeuw. Gehoopt mag worden dat daarna voor het energieprobleem een oplossing zal zijn gevonden, in de vorm van 'getemde' zonne-energie. Maar zover is het nog lang niet, en de huidige vorm van energiewinning, -transport, -opslag en -gebruik zal dan ook zeker nog lang zijn sporen in het landschap achterlaten. Denk voor de Nederlandse energiewinning maar aan de bergen van mijnafval in Limburg, voor het transport aan de hoogspanningsleidingen, voor de opslag aan de concentratie van olietanks op de Maasvlakte, en voor het gebruik aan de nog steeds talrijke hoge schoorstenen. Dergelijke voorbeelden kent iedereen. Maar het energielandschap vertoont veel meer facetten. Vanaf de oude veenwinningen tot de velden met gewassen die voor de productie van biobrandstoffen worden geteeld. En wat daartussen zit vormt een breed scala, waaraan we bewust of onbewust zijn blootgesteld. Het zou teveel eer zijn om te zeggen dat alle facetten van het landschap, zoals dat op enige wijze is of wordt beďnvloed door de energiesector, aan de orde komen. Dat kan niet in een boek van deze omvang. De auteur heeft gelukkig ook geen enkele poging gedaan om een dergelijke onhaalbare volledigheid na te streven. Toch is de uitgever erin geslaagd om een uiterst aantrekkelijk boek te produceren. Belangrijker dan de tekst is namelijk, althans naar mijn mening, het beeldmateriaal. Het grootste gedeelte van het boek wordt in beslag genomen door foto's, meestal paginagroot, die op enigerlei wijze met energie te maken hebben. Een windmolen, bruinkoolwinning, een schuur met zonnepanelen, etc. De tekst kan dan ook beter worden opgevat als een uitleg bij de foto's (die geen bijschriften hebben) dan als een verhaal dat door de foto's wordt toegelicht. De foto's zijn van Ruud Lardinois, die dan ook terecht op het omslag naast Tom Bade staat vermeld. Het enige dat op de foto's aangemerkt zou kunnen worden is dat er wel erg veel zijn opgenomen van bossen en bomen zonder dat duidelijk wordt gemaakt waarin ze in de context van energie wezenlijk van elkaar verschillen. Dit doet echter weinig of niets af aan het plezier dat je beleeft aan het doorkijken (je kijkt meer dan je leest) van dit boek. En zelfs Minister Cramer (van Ruimte en Milieu) heeft in haar voorwoord afgezien van teksten die de wenkbrauwen zouden kunnen doen fronsen. Al met al is dit een boek dat niemand zou moeten kopen vanwege de diepgaande inhoud of de zorgvuldige analyse van de wijze waarop de energievoorziening ons landschap heeft veranderd en blijft veranderen. Maar het is wel een boek dat de bezitters vaak ter hand zullen nemen om door te bladeren. En wie dat doet zal zich steeds meer gaan realiseren dat we in Nederland geen echte natuur meer hebben. Alleen gebieden waarin het niet voor iedereen direct zichtbaar is dat de mens er uiteindelijk vorm aan heeft gegeven. En dat vaak in verband met de energievoorziening. Pas wie dit alles doorheeft, zal ons landschap met begrijpende ogen kunnen bekijken. En dat begrijpend kijken kan weer een eerste stap zijn naar het nemen van maatregelen die, in tegenstelling tot zoveel andere maatregelen die door de overheid worden genomen, kunnen bijdragen aan het in stand houden, ook op langere termijn, van de schaarse plekjes in ons land die deel uitmaken van ons cultureel erfgoed. En nog belangrijker: het kan ook een stap zijn naar het inzicht dat we ons landschap niet moeten laten bederven door politieke hobbies: windmolens mogen politiek populair zijn, maar ze kunnen geen wezenlijke bijdrage leveren aan onze energievoorziening, en ze verstoren het landschap in ernstige mate. Dit boek leert dat er betere oplossingen zijn. Een prachtig geschenkdoek!


Boekbespreking door A.J.(Tom) van Loon: De Bosatlas van ondergronds Nederland, 2009. 

Noordhoff Uitgevers b.v., Groningen, en Lijn 43, Utrecht. Gebonden, 96 blz, prijs € 24,95. ISBN 978-9001-12245-4. 

Atlassen zijn er te kust en te keur, voor de aarde als geheel en voor delen daarvan. Ze geven in het algemeen uitsluitend of vooral topografische informatie. Een uitzondering in Nederland was de Grote Spectrum Atlas (1973) die onderdeel vormde van de Grote Spectrum Encyclopedie, maar die ook werd uitgebracht als zelfstandige uitgave, (Spectrum Wereldatlas) en daarna nogmaals (1974) onder de titel ‘Spectrum Gezinsatlas’, als deel 11 van de Spectrum Encyclopedie van de Wereld. In die laatste uitgave ontbraken de tekstdelen die in de beide andere uitgaven waren opgenomen, en die - uniek, zeker voor die tijd - ook dieper op de aarde ingingen. Letterlijk dieper, met uitgebreide bijdragen over o.a. ‘De bouw van de aarde’, ‘De zeebodem’, Çontinenten op drift’, ‘Vulkanisme en aardbevingen’ en ‘Delfstoffen’. In die bijdragen werd een kijkje gegeven onder het aardoppervlak waartoe de meeste atlassen zich beperken.

In de Bosatlas van ondergronds Nederland wordt deze lijn nog veel verder doorgetrokken: er staan weliswaar veel kaarten en kaartjes van Nederland in, maar eigenlijk alleen om plaatsen aan de geven die van belang zijn voor zaken in de ondergrond. Want die ondergrond is, zoals de titel ook al aangeeft, het onderwerp waar alles om draait, of eigenlijk zou moeten draaien, want het aardoppervlak blijkt voor de schrijver (Henk Leenaers, bekend van diverse boekjes voor amateurgeologen: zie Geonieuws) toch steeds weer grote aantrekkingskracht te hebben. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de acht inhoudelijke hoofdstukken (Geologie en bodem; Grondwater; Archeologie; Natuur en landbouw; Oppervlaktedelfstoffen; Energie en Mijnbouw; Infrastructuur; Stedelijke ondergrond) alle beginnen met een (steeds prachtige) foto over 2 bladzijden, die echter steeds een beeld van het oppervlak geven. De hoofdstukken ‘Natuur en Landbouw’ en ‘Oppervlaktedelfstoffen’ hebben ook weinig of geen informatie over de ondergrond te bieden, net als het overgrote deel van het hoofdstuk ‘Infrastructuur’.

Hoewel de atlas dus niet helemaal waarmaakt wat de titel belooft, staat er echter wel buitengewoon veel informatie in die voor iedereen, maar zeker ook voor amateurgeologen, alleszins de moeite waard is. Jammer is wel dat de kwaliteit van de geologische informatie beter had gekund. Maar er wordt door de uitgever dan ook duidelijk gesteld dat het geen uitgave is voor professionals. Dat maakt het dan weer des te opmerkelijker dat er in Hoofdstuk 9 (Meer weten?) een sectie ‘Informatie voor Professionals’ is opgenomen. Die sectie bevat dan weer veel informatie die helemaal niet interessant is voor professionals (bij de websites van ‘Organisaties’ bijv. de gemeente Amsterdam, Netbeheer Nederland, maar niet de afdeling Mijnbouw van de TU Delft. En wat moeten bij ‘Boeken en atlassen’ voor de professionals werken als ‘De aarde voor in je binnenzak’ en ‘Ondersteboven’ (zie Geonieuws). Waarom wordt, in tegenstelling met het bovenstaande, bij de ‘Informatie voor scholieren en docenten’ niet verwezen naar Geonieuws, een rubriek die zo’n tweemiljoen (!) hits heeft gehad, en die bij veel werkstukken voor school een grote hulp blijkt voor scholieren?

Er is, al met al, veel op deze uitgave af te dingen. Daar staat echter zoveel interessante informatie tegenover, dat het eindoordeel alleen maar positief kan zijn. Mede vanwege de lage prijs kan deze atlas dan ook aan alle leden van harte worden aanbevolen. .

Boekbespreking door H. Steur: De geschiedenis van het leven door J.F.Geys.

deel 8a: Jura: Algemeenheden, Protisten, Sponzen, Coelenteraten
deel 8a-bis: Jura: Wormen, Bryozoën, Brachiopoden
Vlaams Genootschap voor Aardkundige Studies (Vlagast vzw).
Malle: ISBN 978-90-809140-5-6 gebrocheerd;
14,5 x 21,5 cm; zwart-wit ills., register.

De serie "De Geschiedenis van het Leven" van Prof. J.F. Geys is uitgebreid met de eerste deeltjes over de (het) Jura. Ik heb al diverse malen geschreven over deze serie en daarom houd ik het kort. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden dat een mens zoveel informatie kan verwerken als Geys doet. Hij schrijft zelf dat hij een zo volledig mogelijk beeld wil geven van het leven op aarde tijdens de Jura en dat hij daarom niet te veel concessies wil doen vanwege een "uit de pan rijzend aantal bladzijden". En inderdaad worden in de nieuwe deeltjes 8a en 8a-bis na een algemeen hoofdstuk op zeer volledige wijze de protisten, de sponzen, de stekelhuidigen, de wormen, de bryozoën en de brachiopoden behandeld.

Het is geen determinatieboek, maar als je je wilt verdiepen in een van deze groepen, kun je in deze boekjes een fantastische basiskennis opdoen. Het zijn beslist geen boeken om in zijn geheel door te werken, maar de inleidende paragrafen zijn wel vaak heel leerzaam. Geys zegt dat hij zijn best doet eenvoudige taal te gebruiken, maar dat lukt niet erg. Veel moeilijke woorden zoals anoxia, eustatisch, trochoďdale forams, sub- en exumbrellaire afdrukken, sedentaire en hypersalien ontmoedigen de lezer. Ze worden zeker wel ergens verklaard, maar probeer die plek maar eens te vinden. Ik denk dat het aantal jargonwoorden veel verder teruggebracht kan worden en dat een verklarende woordenlijst verlichting kan brengen. Maar dat neemt niet weg dat het zeer waardevolle boekjes zijn en dat ze met elkaar een geweldig naslagwerk vormen.

De prijs van deel 8a is € 18,20, deel 8a-bis kost € 13,90. Daarbij komen nog verzendkosten (€ 10 naar Nederland). Leden van de BVP kunnen enige korting krijgen. Het bestellen kan via de website van de BVP of die van Vlagast (de prijzen verschillen enigszins). Bij de Bodemschat in Hengelo zijn de boekjes ook verkrijgbaar.

Boekbespreking Nieuwe Uitgaven door Freek Rhebergen Andrea Rohde: Fossilien sammeln an der Ostseeküste (2007). ISBN 3-529-05419-4 en Auf Fossiliensuche an der Ostsee (2008). ISBN 978-3-529-05420-4

Sinds jaar en dag zijn de kusten van de Oostzee in Noord-Duitsland en Denemarken favoriete excursiegebieden, zowel voor liefhebbers van kristallijne gesteenten, als voor fossielenverzamelaars. De eersten zullen met boeken van Zandstra, Per Smed en Frank Rudolph goed uit de voeten kunnen. De laatsten moet het vaak hebben van specialistische artikelen, dikwijls verspreid over verscheidene tijdschriften, waardoor het lastig is om het overzicht te behouden. Deze leemte is nu op voortreffelijke wijze opgevuld door twee uitgaven van Andrea Rohde. Op het eerste gezicht lijkt het vreemd. Twee uitgaven, met grote overeenkomsten in de opbouw, vlak na elkaar verschenen, over hetzelfde gebied, en bovendien geschreven voor dezelfde doelgroepen: beginnende čn gevorderde amateurs.

"Fossilien sammeln" is een stevige paperback van 224 pagina's, die met zijn formaat van 14x20 cm uitermate geschikt is om als veldgids tijdens de zoektocht naar zwerfsteenfossielen bij je te hebben. Het boek is opgebouwd uit drie delen: een algemeen inleidend deel (10 pagina's), gevolgd door een 120 pagina's omvattende bespreking van fossielhoudende gesteenten, chronologisch gerangschikt, van Cambrium tot en met Plioceen. In de volgende 80 pagina's behandelt de schrijfster te vinden fossielen, gerangschikt volgens de systematiek, van sponzen tot gewervelden. Het boek sluit af met een begrippenlijst, een uitvoerige index en een vrij uitgebreide literatuurlijst.

Vrijwel elke pagina bestaat uit een goede foto en een korte karakteristiek van het betreffende gesteente of fossiel, met vermelding van de beste vondstmogelijkheden. Stippen (één tot vier) geven aan of een fossiel zeldzaam is of algemeen voorkomt. Het aantrekkelijke van de gekozen afbeeldingen is, dat niet altijd prachtige fossielen zijn geselecteerd, maar vaak ook minder mooie, overeenkomend met wat gewoonlijk te vinden is. Bovendien zijn bij de wat uitvoeriger bespreking van een fossielgroep verhelderende tekeningen met een reconstructie van een dier toegevoegd. De prijs, € 14,80, is laag. De verhouding prijs/kwaliteit daarentegen is omgekeerd evenredig hoog.

Vanzelfsprekend kan een dergelijke gids niet volledig zijn, maar wie het komende seizoen een zoektocht maakt langs de kusten (of in de grindgroeves) van Schleswig-Holstein zal veel plezier beleven aan deze gids. De meeste sedimentaire gesteenten en veel van de fossielen zul je er globaal mee kunnen thuisbrengen.

"Auf Fossiliensuche an der Ostsee" is een kloek, stevig gebonden lees- en kijkboek van 272 pagina's, formaat 21x25 cm. Ook hier maakt een overzichtelijke indeling het boek prettig toegankelijk. In deel 1, een algemeen geologische inleiding is een kaart van het Oostzeegebied opgenomen, met verwijzingen naar de herkomstgebieden en de ouderdom van te vinden gesteentetypes. In deel 2 worden in 20 pagina's allerlei soorten afzettingsgesteenten in woord en beeld voorgesteld. Deel 3, "Fossielhoudende gesteenten" (145 pagina's), omvat chronologisch gerangschikte beschrijvingen en afbeeldingen van vooral Zweedse en Deense lokaties die zwerfsteenmateriaal hebben geleverd. Prachtige foto's van ontsluitingen op bijvoorbeeld Öland, Gotland en Bornholm zijn om te watertanden. In deel 4 (90 pagina's) zijn vertegenwoordigende fossielen afgebeeld, zoals in de "veldgids", maar met veel meer tekst en uitleg. En dat is dan ook het grote verschil met de veldgids: "Auf Fossiliensuche" geeft niet alleen veel meer informatie, maar legt ook duidelijker verbanden tussen de zwerfstenen en de oorspronkelijke afzettingen dan de veldgids. Het is een gedegen maar niet moeilijk naslagwerk dat je thuis steeds binnen handbereik wilt hebben. Ook in dit boek zijn een begrippenlijst en een uitgebreide index opgenomen. Een literatuurlijst nodigt uit tot verdere, specialistische studie van een aansprekend gesteente of favoriete ontsluiting in Scandinavië. De prijs is € 29,90. Een koopje voor zo.n aanwinst in de zwerfsteenliteratuur! Op het tweede gezicht dus toch niet zo vreemd als het eerst leek, die twee verwante boeken.

Volledige literatuurlijst behorende bij "FLEVUM AELMERE ALMARI ZUIDERZEE IJSSELMEER"

Pagina 110 - 116 Grondboor & Hamer NR. Jaargang 63, 2009-3/4

Piet Cleveringa (1), Tom Meijer (1,2), Jeroen Schokker (3) en Hein de Wolf (1)

    1 WMC Kwartair Consultants
    2 Naturalis, P.O. Box 9517, 2300 RA, Leiden
    3 Deltares / TNO - Geological Survey of the Netherlands, Postbus 85467, 3508 AL Utrecht

 

 

Keuze uit geraadpleegde literatuur:

  • Balen, R. van, 2008. De ondergrond van Schokland. Grondboor & Hamer, 62: 77 . 81.
  • Boon, D. Czn (Red.), 1982. Flevum Aelmere Almari Zuiderzee IJsselmeer. Uitgave van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen, Amsterdam.
  • Braat, W.C., 1932. De archeologie van de Wieringermeer. Oudheidkundige Mededeelingen uit het Rijksmuseum van oudheiden te Leiden, Nieuwe reeks XIII: 5-58. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden.
  • Buisman, J., 2000. Duizend jaar weer en wind in de Lage Landen, deel 1 - 5. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker.
  • Deeben, J., Drenth, E., Oorsouw, M.-F. van, Verhart, L., 2005. De steentijd van Nederland. Archeologie, 11/12, Uitgave Stichting Archeologie.
  • Ente, P.J., Koning, J. & Koopstra, R., 1986. De bodem van Oostelijk Flevoland. Flevoberichten 258. Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, Lelystad.
  • Faasse, P.E., 2002. De ontdekking van de ondergrond. Anderhalve eeuw toegepast geowetenschappelijk onderzoek in Nederland. Geologie van Nederland 6. Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO.
  • Gotjé, W., 1993. De Holocene laagveen ontwikkeling in de randzone van de Nederlandse kustvlakte (Noordoostpolder), proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam.
  • Ham, W. van der, 2007. Verover mij dat land. Lely & de Zuiderzeewerken. Uitgeverij Boom, Amsterdam.
  • Harting, P., 1853. Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen en bewoners. Uitgeverij Van Paddenburg en Comp., Utrecht.
  • Harting, P., 1877. De geologische en physische gesteldheid van den Zuiderzee-bodem, in verband met de voorgenomen droogmaking. Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. nat. (2) XI: 301-325.
  • Heide, G.D. van der, 1955. Aspecten van het archaeologisch onderzoek in het Zuiderzeegebied. Van zee tot Land, 13: 1 . 62. Uitgave Directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).
  • Hettema, H., 1953. Grote Historische Schoolatlas. Zeventiende herziene en vermeerderde druk. N.V. Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle.
  • Kamp, A.F., 1937. Zuiderzee-land. Verleden en toekomst van de Zuiderzee. Querido.s Uitgevers-maatschappij, Amsterdam, 275 p.
  • Lorié, J., 1893. Binnenduinen en bodembewegingen. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (2), X: 753-796, 939-980.
  • Meijer, T., Cleveringa, P., Wolf, H. de , 2008. Kokkels in soorten en maten in de IJsselmeerpolders. Grondboor & Hamer, 62(3/4): 96-100.
  • Meijer, T., 2009. De geschiedenis van het molluskenonderzoek bij de Rijksgeologische Dienst. In: Schitterende schelpen en slijmerige slakken. In: Cadée, G.C., van Leeuwen, S., ter Poorten, J.J. (Red.), 75 jaar NMV: malacologie als hobby en professie, p. 22 . 35. Memorie van toelichting tot het ontwerp van wet tot bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van een waterweg van Amsterdam naar de rivier de Waal. Bijblad Nederlandsche Staatscourant 1876-1877 (174), 35 blz.
  • Middelhoek, A, Wiggers, A.J., 1953. Biologisch jaarboek, uitgegeven door het Kon. Natuurwetenschappelijk Genootschap DODONAEA te Gent, p. 235 . 290.
  • Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C. Ritsema, I., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. (Red.), 2003. Geschiedenis van de ondergrond. In: De ondergrond van Nederland. Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO, Geologie van Nederland 7.
  • Polak, B., 1936. De botanische samenstelling van een reeks veenmonsters uit den toekomstigen Noordoostpolder, in den zomer 1933 verzameld door het Bodemkundig Instituut te Groningen. Mededeling der Zuiderzeecommissie, 31: 785 . 822
  • Pons, L.J., 1992. Holocene peat formation in the lower part of the Netherlands. In: J.T.A. Verhoeven (ed.), Fens and bogs in the Netherlands: vegetation, history, nutrient dynamics and conservation. Geobotany, 18: 7-79.
  • Pons, L.J. & Oosten, M.F. van, 1974. De bodem van Noordholland. Toelichting bij blad 5 van de bodemkaart van Nederland schaal 1 : 200.000. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Raemaekers, D.C.M., Hogestijn, W.J.H., 2008. Weg met de Klokbekerweg? De interpretatie van vondsten van de Klokbekercultuur in Swifterbant en de provincie Flevoland. Westerheem, 57: 409 . 417.
  • Staring, W.C.H., 1846. De Aardkunde van Salland en het land van Vollenhove. Eene vooorlezing, gehouden voor en uitgegeven door de Overijsselsche Vereeniging tot ontwikkeling van provinciale welvaart. Zwolle, J.J. Tijl, p. 1-63. Staring, W.C.H., 1857. De bodem van Nederland. De zamenstelling en het ontstaan der gronden in Nederland, ten behoeve van het algemeen beschreven. 2 delen. A.C. Kruseman, Haarlem.
  • Staring, W.C.H., 1858. Voormaals en Thans. Opstellen over Neęrlands grondgesteldheid. Uitgeverij A.C. Kruseman, Haarlem, p. 1-241.
  • Thijsse, J.Th., 1972. Een halve eeuw Zuiderzeewerken, 1920-1970. Uitgegeven met medewerking van de Dienst der Zuiderzeewerken. H.D. Tjeenk Willink B.V., Groningen, 469 p.
  • Wiggers, A.J., 1955. De wording van het Noordoostpoldergebied. Een onderzoek naar de fysisch- geografische ontwikkeling van een sedimentair gebied. Dissertatie, Universiteit van Amsterdam: 214 p.
  • Zagwijn, W.H., 1986. Nederland in het Holoceen. Geologie van Nederland, Deel 1: 46 p., Rijks Geologische Dienst, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage. Zuur, A.J., Ebbens, O.S., Venstra, A.J., Jansen, G.J.F., 1954. Langs gewonnen velden. Facetten van Smedings werk. Opstellen ter gelegenheid van het afscheid van Smeding als directeur van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) en Landdrost van de Noordoostpolder. Uitgeverij H. Veenman & Zonen, Wageningen, 443 p.
Copyright © NGV 2002-2013
webmaster@geologischevereniging.nl