NGV-Geonieuws 147 artikel 914

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


11 April 2008, jaargang 10 nr. 4 artikel 914

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 147! Op de huidige pagina is alleen artikel 914 te lezen.

<< Vorig artikel: 913 | Volgend artikel: 915 >>

914 Duisternis, kou en stof in 536 A.D. waren gevolg van vulkanische mega-eruptie
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het zonlicht en de zonnewarmte werden in 536 n.Chr. wereldwijd plotseling minder door het optreden van een 'droge nevel'. Het gevolg was dat de temperatuur daalde, dat oogsten verloren gingen en dat de resulterende hongersnood (en de daaruit volgende slechtere gezondheid) leidde tot ziektes en veel doden. Onder andere de pest zou daardoor in Europa en het Midden-Oosten extra hebben kunnen toeslaan. In China bleef het jarenlang ook 's zomers vriezen, wat waarschijnlijk mede de oorzaak is van de landverhuizing van de Avars, een nomadenstam uit MongoliŽ, naar het westen. Ook in Midden-Amerika bleef het jarenlang droog als gevolg van de 'droge nevel', wat volgens sommige historici onder meer zou hebben geleid tot de ondergang van de stad Teotihuacan. Tal van historische bronnen geven steeds het jaar 536 aan als begin van deze plotseling veranderende omstandigheden.

Analyse van een boorkern uit het ijs van Groenland geeft nu een aannemelijke verklaring, doordat een vondst werd gedaan die eerder - maar in veel minder duidelijke mate - ook al was gedaan in ijs van Antarctica. In beide gevallen werd namelijk in een ijslaag uit omstreeks 536 (de dateringen op Groenland geven een tijdstip aan van 533-534 Ī 2 jaar) een opvallende concentratie aangetroffen van sulfaten (in Groenland veel meer dan in Antarctica, waar de concentratie destijds wel werd opgemerkt, maar waar die zo laag was dat er geen grote betekenis aan werd toegekend).


Onderzoek van het boorgat in het ijs op Groenland


Een van de ijskernen


De hoge concentratie aan sulfaten in de ijslaag op Groenland kan alleen worden verklaard door vulkanische activiteit waarbij de vulkaan grote hoeveelheden sulfaten uitstootte. Dat die uitstoot ook leidde tot een waarneembaar verhoogde concentratie in het ijs van Antarctica betekent volgens de onderzoekers dat het moet zijn gegaan om een enorm grote uitbarsting, waarmee meer sulfaten werden uitgestoten dan bij de eruptie van de Tambora (IndonesiŽ) in 1915, die ook leidde tot vermindering van de hoeveelheid zonlicht. Een dergelijke mega-eruptie is ook waarschijnlijk op basis van de plotseling zeer sterke afname in de dikte van groeiringen in bomen op het noordelijk halfrond.


Opslag en onderzoeksruimte voor de ijskernen

Dat een vulkaan verantwoordelijk moet worden geacht voor de gebeurtenissen in 536 is niet verwonderlijk. Het toen plotseling veranderende klimaat werd al eerder aan een natuurverschijnsel toegeschreven, maar het was niet mogelijk om vast te stellen om welk natuurverschijnsel het moet hebben gegaan; als belangrijkste mogelijkheden werden de inslag van een hemellichaam en een vulkanische uitbarsting genoemd. Dat laatste lijkt nu dus het geval te zijn geweest. De vulkaan die in 536 uitbarstte, moet volgens de onderzoekers in de omgeving van de evenaar hebben gestaan, omdat anders moeilijk te verklaren is dat in zowel Groenland als Antarctica verhoogde concentraties sulfaten worden gevonden. Helemaal zeker is dat overigens niet, want de effecten op het zuidelijk halfrond lijken veel minder duidelijk dan die op het noordelijk halfrond. Daarbij moet overigens wel weer worden bedacht dat historische bronnen uit die tijd op het noordelijk halfrond in redelijk ruime mate bewaard zijn gebleven, maar dat dat niet geldt voor het zuidelijk halfrond.


's-Zomers altijd zon op het onderzoekstation

Uiteraard zijn er ook in deze zaak weer sceptici. Ken Wohletz, een vulkanoloog uit New Mexico, is van mening dat een vulkanische uitbarsting nu wel waarschijnlijk is, maar dat een inslag nog niet kan worden uitgesloten als oorzaak voor de gebeurtenissen van 536. Volgens hem moeten daarvoor eerst ook aslagen worden gevonden. Daar is overigens nog nooit echt naar gezocht, en de meeste deskundigen lijken van mening dat die aslagen zeker zullen worden gevonden als daarnaar nu structureel gaat worden gezocht (wat zeker het geval zal zijn).

Dat er zowel in 536 als in 1815 zeer grote vulkanische uitbarstingen hebben plaatsgevonden, bewijst dat onze samenleving daar ieder moment weer mee te maken kan krijgen. De huidige samenleving is daar echter in veel opzichten minder goed tegen bestand dan men vroeger was: vliegtuigen kunnen niet vliegen door een atmosfeer met veel (vulkanische) deeltjes, radioverbindingen worden gestoord door de vulkanische stofwolken met een grote elektrische lading, en de gespecialiseerde monoculturen in de huidige landbouw passen zich veel moeilijker aan aan nieuwe klimatologische omstandigheden dan de meer primitieve rassen die vroeger werden geteeld. De vondst op Groenland zou aanleiding moeten zijn om de kwetsbaarheid van onze samenleving voor natuurrampen te verminderen.

Referenties:
  • Larsen, L.B., Vinther, B.M., Briffa, K.R., Melvin, T.M., Clausen, H.B., Jones, P.D., Siggaard-Andersen, M.-L., Hammer, C.U., Eronen, M., Grudd, H., Gunnarson, B.E., Hantemirov, R.M., Naurzbaev, M.M. & Nicolussi, K., 2008. New ice core evidence for a volcanic cause of the A.D. 536 dust veil. Geophysical Research Letters 35, L04708, doi:10.1029/2007GL032450, 5 pp.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Lars Larsen, Centre for Ice and Climate, University of Copenhagen, Kopenhagen (Denemarken).


Copyright © NGV 1999-2014
webmaster@geologischevereniging.nl