Sinds 1999 wordt in het noordoosten van de Argentijnse provincie Río Negro onderzoek gedaan naar vertebraten uit het Krijt. Dat heeft reeds diverse spectaculaire vondsten opgeleverd (zoals de dinosauriër Buitreraptor) waarover ook eerder in Geonieuws is bericht. In het Boven-Krijt zijn nu opnieuw restanten van een bijzonder fossiel gevonden, namelijk een slang met een goed ontwikkeld bekken en heiligbeen, en bovenal met twee achterpoten. Die waren niet groot, maar voldoende ontwikkeld om een functie te hebben; het goed ontwikkelde bekken diende onder meer als aanhechtingspunt voor de spieren van de poten.

Het gebied in Noord Patagonië waar Najash werd aangetroffen
| 
Een van de onderzoekers bij het blootleggen van het skelet.
|
De onderzoekers hebben de slang de naam Najash rionegrina gegeven. De (nieuwe) geslachtsnaam is afgeleid van de Hebreeuwse naam voor de slang met poten die volgens de Bijbel door God werd verdoemd om verder kruipend door het leven te gaan vanwege bedrog van zijn partner. De soortnaam is afgeleid van de naam van de provincie waar het fossiel werd aangetroffen.

Het heiligbeen van Najash rionegrina
(a: vanaf de rugzijde b: vanaf de buikzijde)
| 
Evolutionaire relatie van Najash met andere slangen
|
Fossiele slangen zijn betrekkelijk zeldzaam. In de afgelopen decennia zijn er in Noord-Afrika en Oost-Europa wel diverse exemplaren gevonden, maar het ging daarbij steeds om slangen die in zee leefden, en die zich ook aan het leven in het water hadden aangepast. De oudste exemplaren stammen uit het Vroeg-Krijt. Een en ander heeft ertoe geleid dat sommige deskundigen meenden dat de slangen nauw verwant zijn aan de mosasauriërs, en daar wellicht zelfs van afstammen.

Impressie (door Jorge A. Gonzalez) van het milieu waarin Najash leefde
De vondst van Najash wijst in een andere richting. Deze tijdgenoot van de dinosauriërs geeft aan dat slangen oorspronkelijk poten moeten hebben gehad (zoals de andere tetrapoden) en dat die in de loop van de evolutie geleidelijk zijn verdwenen (omdat ze geen nuttige functie meer hadden). In dit verband is Najash vooral interessant omdat er weliswaar nog enkele fossiele slangen bekend zijn die pootjes hadden (Haasiophis, Pachyrhachnis), maar die misten de botten in het gebied van het heiligbeen die Najash wel heeft. Al met al kan worden vastgesteld dat Najash de meest primitieve (land)slang is die bekend is, en dat bij latere fossiele slangen steeds meer kenmerken zijn verloren gegaan die duiden op een oorspronkelijk loopvermogen.

Reconstructie (door Jorge A. Gonzalez) van Najash rionegrina.
Waarom bij Najash alleen nog de achterpoten waren ontwikkeld, en waarom het loopvermogen bij de slangen uiteindelijk geheel verloren is gegaan, is nog niet duidelijk. Uit de sedimentaire karakteristieken van het gesteente waarin Najash werd aangetroffen, in combinatie met de andere fossielen die daarin zijn gevonden, kan worden afgeleid dat Najash, die een lengte had van zo'n 2 meter, in grotten leefde, en zich voedde met hagedisachtige, kleine zoogdieren en (waarschijnlijk) ook tal van kleine dinosauriërs. Zijn achterpoten gebruikte hij waarschijnlijk nog als hulpmiddel bij het voortbewegen, maar belangrijker was mogelijk dat hij zich er nog mee kon afzetten als hij een prooi besprong.
Referenties:- Apesteguía, S. & Zaher, H., 2006. A Cretaceous terrestrial snake with robust hindlimbs and a sacrum. Nature 440, p. 1037-1040.
Illustraties welwillend ter beschikking gesteld door Sebastián Apesteguía, Sección de Paleontología de Vertebrados, Museo Argentino de Ciencias Naturales 'B. Rivadavia', Buenos Aires (Argentinië). |