NGV-Geonieuws 106 artikel 629



NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 December 2005, jaargang 7 nr. 23 artikel 629

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 106! Op de huidige pagina is alleen artikel 629 te lezen.

<< Vorig artikel: 628 | Volgend artikel: 630 >>

629 DNA-onderzoek van holenbeer opent perspectieven voor de ontrafeling van de stamboom van de mens
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

DNA-onderzoek wordt op steeds meer terreinen - en steeds vaker - toegepast, onder meer om 'familierelaties' na te gaan. Forensisch (= met misdaadonderzoek verband houdend) DNA-onderzoek wordt vaak in de media voorgesteld als een techniek die nu gemakkelijk en betrouwbaar is uit te voeren. Dat beeld is in grote lijnen correct, omdat het slechts de analyse van een gering aantal fragmenten van het totale DNA vereist. Zo hoeft bij forensisch onderzoek bijvoorbeeld niet te worden vastgesteld of de familieband tussen verdachte A nauwer is met een goudvis dan met een vogel. Wie iets wil leren over de evolutie van het leven, moet daarvoor echter wel uitgebreide DNA-analyses uitvoeren.


Ongeveer 35.000 jaar oude rotstekening van een holenbeer uit de grot van Chauvet, langs de Ardeche (Frankrijk)

Op basis van dergelijk onderzoek is het nu bijvoorbeeld mogelijk om na te gaan hoe de relaties liggen tussen verschillende mensenrassen, en hoe de mens zich over de wereld heeft verspreid. Dat onderzoek wordt nu zelfs mondiaal op grote schaal uitgevoerd, omdat de huidige mens zoveel reist en zo frequent van woonplaats verandert (inclusief emigratie naar andere continenten) dat de oorspronkelijke patronen op korte tijd verloren dreigen te gaan. De mogelijkheid van DNA-analyse is mogelijk nog net op tijd ontwikkeld om de oorspronkelijke patronen van 'volksverhuizingen' te kunnen vaststellen.


Het skelet van een holenbeer

In principe kunnen met DNA-onderzoek de verwantschappen tussen alle levende wezens worden vastgesteld. Zo kan op basis van dit soort analyse worden vastgesteld wanneer de zoogdieren zich als groep ontwikkelden, en wanneer de mensapen zich van de andere apen afscheidden. Dat gebeurt door vast te stellen hoeveel gemeenschappelijke en hoeveel verschillende patronen er in het erfelijk materiaal aanwezig zijn. Uitgaand van een min of meer gelijkmatige snelheid waarin die patronen in de loop van de tijd zijn veranderd, is zo te reconstrueren wanneer (ruwweg) de laatste gemeenschappelijke voorouder moet hebben geleefd, dus ook wanneer twee takken zich splitsen. Deze benaderingswijze blijkt helaas vaak tot tegenstrijdige resultaten te leiden, waarschijnlijk omdat evolutionaire veranderingen niet steeds met een gelijkmatig tempo plaatsvonden.


De schedel van een holenbeer: op internet aangeboden voor $ 3900,00

Evolutie en familierelaties zouden daarom veel nauwkeuriger kunnen worden vastgesteld indien DNA van alle betrokken organismen beschikbaar zou zijn. Helaas is dat bijna nooit het geval waar het gaat om fossielen (ook al blijken er steeds meer DNA-resten te worden gevonden, onder meer in weefsel uit de botten van dino’s!). Daarbij komt ook nog het probleem dat het DNA van fossielen altijd beschadigd is, en dat er ook altijd verontreinigingen zijn, bijv. met het DNA van organismen die later zijn binnengedrongen (al is het maar alleen van de microorganismen die het rottingsproces van een kadaver veroorzaken). Er is echter hoop: DNA-analyse van een holenbeer heeft hoopgevende resultaten opgeleverd.

Het gaat om het DNA van botten van twee holenberen van elk omstreeks 40.000 jaar oud. Het DNA bleek sterk verontreinigd, maar de aangetroffen 26.821 basenparen van de genen van de holenbeer bleken genoeg om een vergelijking te maken met die van de huidige beren, en van de evolutionaire ontwikkeling. De onderzoekers stellen dat dit succes de mogelijkheid opent om, via meer soortgelijke analyses, het genenpatroon van uitgestorven Pleistocene dieren in kaart te brengen, waardoor hun onderlinge verbanden - en hun relatie met recente soorten - beter zijn te begrijpen. Dat zou ook opgaan voor de hominiden, de mensachtigen. Daarmee zouden de vaak ondoorzichtige - en vaak weinig verheffende - discussies tussen paleoanthropologen over de afstamming van de mens (en niet minder over de vraag of een bepaald fossiel een aparte soort vertegenwoordigt of niet) tot een eind kunnen worden gebracht. Of de paleoanthropologen zelf daarmee blij zullen zijn - en of ze aan degelijk onderzoek willen meewerken - blijft vooralsnog echter de vraag.

Referenties:
  • Noona, J.P., Hofreiter, M., Smith, D., Priest, J.R., Rohland, N., Rabeder, G., Krause, J., Detter, J.C., Pääbo, S. & Rubin, E.M., 2005. Genomic sequencing of Pleistocene cave bears. Science 309, p. 597-600.


Copyright © NGV 1999-2014
webmaster@geologischevereniging.nl