Niet alleen de winters, ook de zomers kunnen in Siberië zeer koud zijn. Dat blijkt uit onderzoek van drie Russische ecologen. Zij onderzochten de groeiringen in de Siberische jeneverbes (Juniperus sibirica) en de Siberische larix (Larix sibirica) van levende en dode exemplaren op de boomgrens in NW Siberië. Die boomgrens werd soms bepaald door de hoogte (in de noordelijke Oeral), soms door de geografische breedte (op het Yamal schiereiland).

Vorstring in Pinus sibericus
Micrograph © Dee Breger, Drexel University
| 
Juniperus sibirica
|
Bij plotselinge extreme kou gedurende het groeiseizoen zijn de gevolgen terug te vinden in de groeiringen. Zo kunnen er door ongewone omstandigheden zogeheten vorstringen en lichtringen ontstaan, die een duidelijk van de omringende groeiringen afwijkend patroon vertonen. Volgens de onderzoekers biedt analyse van dergelijke afwijkende patronen een goede mogelijkheid om kortstondige extreme weercondities in het verleden te reconstrueren. Ze slaagden erin om dat te doen voor de afgelopen 1260 jaar. Voor Siberië is dat van belang omdat er, in tegenstelling tot bijv. West-Europa waar veel gebeurtenissen mondeling of schriftelijk zijn overgeleverd, geen klimaatgegevens bestaan over de periode dat er nog geen meetapparatuur was opgesteld.
Vorstringen in coniferen zijn ondermeer herkenbaar aan slecht verhoute, 'kruimelige' (gedeformeerde) en in elkaar gedrukte cellen met afwijkend ontwikkelde tracheeën. Uit experimenten en veldwaarnemingen is gebleken dat ze ontstaan wanneer de luchttemperatuur gedurende de tijd dat de boom uitdijt (dus tijdens de tweede helft van het groeiseizoen), tot onder het vriespunt daalt. Lichtringen bevatten cellen met onvolledig ontwikkelde (dus dunne) wanden. Ze ontstaan wanneer een groeiseizoen ongunstige omstandigheden kent, bijvoorbeeld wanneer de zomer (opnieuw: vooral het tweede deel van de zomer) kort duurt en koel is.
Op basis van het onderzoek naar dergelijke afwijkingen werd vastgesteld dat zowel op de 'hoge' als op de 'noordelijke' boomgrens zeer koude zomers optraden in de jaren 801, 1109, 1259, 1278, 1466, 1601 en 1783. Voor een deel vallen die jaren samen met van elders bekende koude intervallen; die zijn bekend van 800-801, 1109, 1258-1259, 1453, 1466, 1585, 1601, 1783, 1884, 1912 en 1992 (hierbij moet rekening worden gehouden dat de seizoenen op het noordelijk en zuidelijk halfrond een half jaar verschillen!). De overeenkomst is treffend, wat erop wijst dat de nu toegepaste methode betrouwbare uitkomsten oplevert. De wereldwijd gelijk optredende 'koudegolven' zijn volgens de onderzoekers naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van belangrijke vulkanische uitbarstingen. In het geval van 'afwijkende' koudeintervallen moeten regionale factoren een rol hebben gespeeld.
Referenties:- Hantemirov, R.M., Gorlanova, L.A. & Shiyatov, S.G., 2004. Extreme temperature events in summer in northwest Siberia since AD 472 inferred from tree rings. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 209, p. 155-164.
De foto van Juniperus sibirica werd welwillend ter beschikking gesteld door Oleg Kosterin (www.nsu.ru/community/nature/photos/kosterin/plants/plant1/plant1.htm). De foto van de vorstring werd welwillend ter beschikking gesteld door Dee Breger, Department of Materials Science, Drexel University, Philadelphia, PA (Verenigde Staten van Amerika). |