NGV-Geonieuws 75 artikel 482



NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Augustus 2004, jaargang 6 nr. 16 artikel 482

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 75! Op de huidige pagina is alleen artikel 482 te lezen.

<< Vorig artikel: 481 | Volgend artikel: 483 >>

482 Alpen lijden onder hete zomer
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat de Alpen ten onder gaan aan het broeikaseffect. Zo erg is het niet, maar de warme zomer van 2003 heeft de Alpen als gebergte geen goed gedaan. Gezien de hitte van de huidige zomer zal het er ook niet snel beter op worden.


Ook de Matterhorn lijdt onder de warme zomers

In de zomer van 2003 zijn er in de Alpen, net als in andere gebergten zoals de Dolomieten, opvallend veel grote rotsblokken naar beneden gevallen. Daarbij zijn talrijke slachtoffers gevallen. De oorzaak ligt, volgens een team onderzoekers van de Universiteit van Zürich in het afnemen van het gebied met een permanent bevroren bodem (permafrost). En dat hangt uiteraard weer samen met de temperatuur.

De permafrost is in de bergen zit, net als in Antarctica en in het hoge noorden, tot diep in de grond doorgedrongen. Waar eeuwige sneeuw ligt (of waar het ijs van een gletsjer of een landijskap de bodem bedekt), blijft de grond het hele jaar bevroren. Buiten dat gebied met 'eeuwige' sneeuw of ijs ontdooit zomers, als de temperatuur voldoende stijgt, het bovenste gedeelte van de permafrost, om later in het jaar, wanneer het weer kouder wordt, weer te bevriezen. Ruwweg ligt de grens tussen dit jaarlijks ontdooiende gebied en het gebied waar ook ‘s zomers de grond permanent bevroren blijft, in de zone waar de luchttemperatuur tussen de rotsen tot boven de 1,5 °C onder het vriespunt stijgt. In 2003, toen de zomer zeer warm was, lag deze grens dus aanzienlijk hoger dan normaal.

Volgens de onderzoekers kan het ijs in de bodem beschouwd worden als een soort bindmiddel, dat de afzonderlijke - vaak door spleten en scheuren van elkaar gescheiden - rotsblokken aan het oppervlak van de bergen aan elkaar 'lijmt'. Bij dooi vervalt dus het onderlinge verband tussen de rotsblokken die dan, als hun zwaartepunt niet boven andere stenen ligt, vanzelf omlaag storten. Ook regen kan net voldoende zijn om dergelijke blokken, vaak via een dun vliesje van modder, aan het glijden te brengen. Zo worden bij inkrimping van het gebied waarin de bodem permanent bevroren blijft, steeds meer rotsblokken blootgesteld aan krachten die er uiteindelijk toe leiden dat ze omlaag storten, vaak met tragische gevolgen.

De leider van het onderzoek, Stephan Gruber, baseert zijn uitspraken op een model dat hij heeft opgesteld en verfijnd aan de hand van metingen die twee meter diep in rotswanden zijn gedaan op hoogtes tussen 2600 en 4500 m. Uit die metingen blijkt dat de dooi in 2003 gemiddeld tot zo’n halve meter dieper in het gesteente plaatsvond dan in de voorafgaande decennia. De Alpen vallen dus sneller uiteen door de hoge zomertemperaturen.

Referenties:
  • Gruber, S., Hoelzle, M. & Haeberli, W., 2004. Permafrost thaw and destabilization of Alpine rock walls in the hot summer of 2003. Geophysical Research Letters 31, doi 10.129/2004GL020051.


Copyright © NGV 1999-2014
webmaster@geologischevereniging.nl