NGV-Geonieuws 40 artikel 305

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 2003, jaargang 5 nr. 5 artikel 305

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 40! Op de huidige pagina is alleen artikel 305 te lezen.

<< Vorig artikel: 304 | Volgend artikel: 306 >>

305 Prehistorisch landschapsbeheer
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Geonieuws 238 ging over de vondst van prehistorische ploegsporen in het duingebied bij Castricum. Die ploegsporen werden vaak gemaakt met het eergetouw, maar soms met de 'moderne' zodekerende ploeg, die pas in de Middeleeuwen (Karolingische tijd) in zwang kwam. Onderzoek onder leiding van Wim Bosman, gemeentearcheoloog van Velsen, heeft nu aangetoond dat de prehistorische bewoners van het duingebied niet alleen zeer innovatief waren wat betreft hun ploegtechniek, maar dat ze ook aan een wel zeer vroege vorm van landschapsbeheer deden


OUDE DUINAFZETTINGEN MET CULTUURLAGEN UIT DE IJZERTIJD. DE DAKPANSGEWIJS GESTAPELDE SCHOLLEN DUINZAND ZIJN HAAKS AANGESNEDEN VOREN VAN DE 'MODERNE' ZODEKERENDE PLOEG

De gronden die met het eergetouw zijn bewerkt, blijken vele malen te zijn geploegd (waardoor een chaotisch patroon van ploegsporen resteert); de meeste gronden die met een zodekerende ploeg zijn bewerkt, blijken echter slechts eenmaal te zijn bewerkt. Weliswaar komt het voor dat eenzelfde gebied twee- of driemaal met de zodekerende ploeg is bewerkt, maar dan is dat steeds op verschillende niveaus, dus na afzetting van nieuw sediment. Steeds blijkt dat nieuwe sediment een laag stuifzand te zijn. Deze combinatie van eenmalig op een speciale wijze ploegen na een nieuwe fase van bedekking door stuifzand wijst op een weloverwogen beleid. Kennelijk werd er voortdurend 'normaal' geploegd (en gespit), maar als er stuifzand kwam aanwaaien vanaf een naburig duin werd de grond met de zodekerende ploeg bewerkt kort voordat het aanrollende duin de akker definitief zou bedelven.

Bij die werkwijze is kennelijk ook veel aandacht besteed aan de vorm van het gebied dat gevaar liep door het duin te worden 'overreden', want veel van de met de zodekerende ploeg bewerkte stukken grond zijn smal (soms slechts enkele meters), maar wel lang. Bosman concludeert daaruit dat de zodekerende ploeg 'niet uitsluitend, maar wel bij voorkeur werd ingezet om stuifzanddekken vast te leggen zolang deze nog niet dikker waren dan ca. 10 cm'.

Op een andere locatie, bij IJmuiden, blijkt de bodembewerking beperkt tot een diepte van maximaal 50 cm van de reguliere teellaag. Bij hert ploegen van de rond het begin van de jaartelling aangelegde akkers, zijn de duinrugjes tussen de akkers ongemoeid gelaten. Ook zijn in IJmuiden teellandjes van enkele eeuwen voor Christus aangetroffen die alle zijn aangelegd aan de zuidelijke flanken van een serie lage duintjes.

Bosman merkt naar aanleiding van deze bijzondere posities op dat de prehistorische mens in het Nederlandse duingebied aan een soort landschapsmanagement deden. Zo werd de natuurlijke gang van zaken in dit winderige gebied al vroeg door de mens naar zijn hand gezet.

Referenties:
  • Bosman, W., 2002. Van hoog tot laag - de prehistorische mens in het duinarchief. Duin 25, p. 19-21.

Afbeelding ter beschikking gesteld door W. Bosman


Copyright NGV 1999-2014
webmaster@geologischevereniging.nl